Rijtuig van de week: nr. 07

Openbaar Vervoer begon bij de omnibus, later de autobus, wat al snel verbasterd of verkort werd tot het woord bus. Maar waar komt een zo alledaags woord als bus eigenlijk vandaan? 

Museum Nienoord bezit verschillende omnibussen, ieder met een eigen doel of functie. De fraaiste daarvan is de paardenbus of stadsomnibus van de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, die momenteel in de rijtuigexpositie Bestemming Bereikt staat. In heel Nederland zijn er slechts drie van dergelijke paardenbussen overgebleven! Terwijl er toch tientallen, zo niet honderden moeten hebben gereden voordat ze vanaf 1864 werden verdrongen door de paardentram….En dan hebben we in het museum ook nog een al even zeldzame zogenaamde private omnibus, een familieomnibus en twee hotelomnibussen. Maar over al deze rijtuigen in ons museum vertel ik iets meer in latere afleveringen van deze rubriek.  

Nu wil ik eerst wat dieper ingaan op de naam van dit type rijtuig: omnibus, slechts één van de vele woorden waarin het woord bus besloten ligt. Denk aan alledaagse woorden als autobus, buskaartje, buschauffeur, buslijn… Maar weinigen vragen zich af waar het woord bus vandaan komt.

Bus is eigenlijk de taalkundige uitgang van een Latijns woord en duidt als zodanig geen concreet voorwerp aan; pas als die uitgang voorafgegaan wordt door een stamwoord krijgt het betekenis, zoals bijvoorbeeld in ons woord Omnibus. Omni betekent “allen”, en als geheel betekent omnibus dan zoveel als “voor allen”. Hiermee hebben we natuurlijk al een associatie met ons idee van Openbaar Vervoer. Maar in de tijd dat het Latijn nog de voertaal was, had niemand het over omnibus als middel van Openbaar Vervoer.

De eerste rijtuigen voor Openbaar Vervoer - d.i. vervoer dat de verbinding onderhoudt tussen bepaalde plaatsen, op geregelde tijden-, reden in Parijs in 1662. De “Carosse a cinq sous” (de vijf-centimes-karos) kende vijf lijnen met vaste vertrektijden en ieder rijtuig kon 8 passagiers vervoeren. Een rit kostte evenveel als ongeveer een pond vlees destijds. Omdat het ‘gewone volk’ werd buitengesloten van deze vorm van vervoer, bleek de onderneming niet erg succesvol; want de adel en de kooplieden hadden hun eigen rijtuigen. Desalniettemin ontstonden her en der in de Franse maar ook in andere Europese steden gedurende de 17e en 18e eeuw steeds meer vormen van stedelijk openbaar vervoer, teveel om hier op te noemen.

In Richebourg, een buitenwijk van de Franse stad Nantes was een zekere Stanislas Baudry (1777-1830) in de jaren 20 van de 19e eeuw een stoom-graanmaalderij begonnen. De stoommachine “pompe a feu de Richebourg” produceerde naast meel ook erg veel heet water. In een zakelijke poging om ook dit bijproduct rendabel te maken liet Baudry een openbaar badhuis bouwen. Om clientèle vanuit het centrum van Nantes naar zijn baden te lokken, richtte hij een pendeldienst op tussen la Place du Port-aux-Vins en Richebourg. Gratis en voor niets. Al snel werd duidelijk dat de bewoners maar al te graag van dit vervoer gebruik maakten, zonder de baden te bezoeken. Baudry besloot zijn maalderij en het badhuis te verkopen en begon (1826) een netwerk van openbaar vervoer in Nantes op te zetten. Hij begon met twee lijnen en twee rijtuigen en zijn Société droeg de naam “Dame Blanche”, hetgeen ook met grote letters op de witte rijtuigen stond geschreven. Vanaf het begin was de onderneming winstgevend en de firma opende al snel ook in Parijs, Bordeaux en Lyon vestigingen.

Dame Blanche

Het rijtuig, of beter de eerste gratis lijndienst naar de baden, de “bains de Richebourg” kreeg al snel de bijnaam “omnibus”. Waarom? Het eindpunt van deze lijn was gelegen voor het pand van de firma Omnès, die hoeden maakte, een chapellier dus. “Omnès is ook Latijns en betekent “alles”. Het enorme uithangbord van de firma vermeldde: Omnès omnibus. Deze Latijnse tekst of woordspeling zouden we dus kunnen vertalen met “Omnès voor iedereen”, ofwel “alles voor iedereen”.

Zij die van de lijn gebruik maakten zeiden al spoedig, dat ze naar omnibus gingen…  Dit bracht de zakelijk ingestelde Baudry op een idee, en toen hij in 1828 ook in Parijs een Openbaar Vervoersonderneming begon, noemde hij deze: “Entreprise Générale de l`Omnibus”.

Intussen zijn we bijna 200 jaar verder en het woord omnibus wordt niet meer gebruikt als aanduiding voor een vervoermiddel. Het gemotoriseerde Openbaar Vervoer dat begin 20e eeuw opkwam kreeg echter wel de naam autobus. Dit is inmiddels in het algemeen spraakgebruik verbasterd, of domweg verkort tot “bus”. De volgende keer volgt meer informatie over onze eigen omnibus.

© Jan Zijlstra - conservator 

Gepubliceerd op 27-05-2015