Rijtuig van de week: nr. 01

Waar kunnen we onze rubriek rijtuig van de week beter mee beginnen dan met het eerste rijtuig dat ooit voor de collectie werd aangeschaft? En niet zozeer omdat dit het eerste rijtuig van de collectie was, maar eigenlijk meer omdat het meteen ook een zeer bijzonder rijtuig betreft. Het gaat dan ook niet om de W-001 (de rijtuigen in het rijtuigmuseum zijn in min of meer chronologische volgorde genummerd van W-001 tot W-280), maar om één van de rijtuigen die in de aanloop naar het nieuw op te richten museum (1957) werden aangekocht door de oprichters ervan. In dit geval ging het om D. Dirkszn ter Maten, mogelijk de meest enthousiaste van het groepje liefhebbers dat zich na de oorlog het lot aantrok van al die rijtuigen die nutteloos in schuren en stallen stonden te wachten op het moment dat er een opkoper van lompen en metalen langs zou komen.

We hebben het hier over één van de pronkstukken van onze collectie, de prachtige geel-zwarte statieberline van de familie Van Loon, de W-005. Dirk Dirkszn ter Maten, die voortdurend door Nederland reisde, op zoek naar bijzondere rijtuigen, kocht dit exemplaar een aantal jaren na het einde van de oorlog voor zijn eigen collectie. Toen de plannen voor de oprichting van een Nationaal Rijtuigmuseum een paar jaar later vorm hadden gekregen en men passende huisvesting ervoor had gevonden in een min of meer verlaten borg in het Groningse Leek, werd het rijtuig meteen opgenomen in de museumcollectie.

 De staatsieberline van de familie van Loon is één van de laatste en meest luxueuze in zijn soort. Het galarijtuig werd in 1902 op bestelling gemaakt door de zeer bekende en fameuze Amsterdamse rijtuigbouwer “Schutter & van Bakel”, van welke firma in ons museum wel meer rijtuigen aanwezig zijn. Opdrachtgever was jonkheer Louis Antoine Van Loon (1862-1953), telg uit een rijke Amsterdamse regentenfamilie, die behalve een huis aan de Keizersgracht nog een landgoed bezat in Doorn, “La Forêt” geheten, waar de familie doorgaans vertoefde. De familie was rijk en machtig geworden in het bankwezen en door de handel. Voorvader Willem van Loon was in 1602 medeoprichter van de VOC, de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Het statige patriciërshuis aan de Keizersgracht is er nog steeds en huisvest tegenwoordig het bekende Amsterdamse Museum Van Loon, dat jaarlijks vele duizenden binnen- en vooral buitenlandse bezoekers trekt, en zeker de moeite van het bezoeken waard is. Op het landgoed in Doorn liet jonkheer Van Loon rond dezelfde tijd (1902) ook een nieuwe stal met 22 boxen en een koetshuis bouwen, waarin meerdere rijtuigen gehuisvest waren (hierover een andere keer meer). Dit koetshuis van La Forêt ging in de oorlog verloren, maar het koetshuis en de stal, behorend bij het grote stadshuis in Amsterdam bestaan nog steeds: ze zijn in 2012 zelfs in de originele staat teruggebracht en inmiddels staan er ook weer een paar rijtuigen en sleden van de familie. De grote openslaande deuren van dit koetshuis komen uit in de Kerkstraat, dezelfde straat waar rijtuigbouwer Schutter & van Bakel gevestigd was, slechts een klein eindje verderop. Niet verwonderlijk dus dat de jonkheer zijn rijtuigen bij deze prestigieuze firma liet maken. 

Nu over het rijtuig zelf: zoals gezegd een luxueus en fraai galarijtuig, één van de laatste in zijn soort in Nederland gebouwd. Ietwat ouderwets voor 1902 zelfs, want het model zien we al rond 1850, alleen de versieringen en het snijwerk is wat moderner en strakker geworden. Toch is het een zeer luxe rijtuig: we noemen dit een achtdubbelgeveerde galaberline. Kijk naar de vering: de kast hangt aan lederen banden, die over zogenaamde C-veren lopen. Maar bovendien zijn voor- en achterstel voorzien van dubbele ellipsveren. Zachter kun je niet rijden, zij het dan, dat rubber om de wielen misschien nog meer comfort zou hebben gegeven. Maar dat heeft een dergelijk rijtuig niet. Wel vinden we aan de bok prachtig zilverbeslag, gemaakt door de Koninklijke Utrechtse Fabriek van Zilverwerken Begeer. Carel Begeer stelde in zijn fabriek beroemde ontwerpers te werk, als Chris van der Hoef, Jan Eissenloeffel en Gerrit Rietveld. (In 1919 zou de fabriek fuseren en droeg daarna de naam “Koninklijke Van Kempen en Begeer”, een naam die ons tegenwoordig bekender voorkomt). Hoewel het zilver op de statiebok van ons rijtuig het merk draagt van de fabriek, weten we niet wie de ontwerper is geweest. Zelfs de grote siernaafringen lijken van zilver, maar dit is bedrog; deze zijn gemaakt van zogenaamd Berlijns zilver, of Alpaca, een metaallegering van koper, zink en nikkel. Het werd vaak toegepast op (voorname) rijtuigen.  

Op de beide portieren en op de achterzijde van de rijtuigkast vinden we het geschilderde familiewapen van de familie Van Loon. En ook deze zijn niet vervaardigd door de eerste de beste rijtuigschilder. Op het familiewapen zien we afgebeeld 3 molenijzers en een paar morenkoppen. De molenijzers verwijzen naar een oud molenrecht dat de familie bezat en de morenkoppen staan symbool voor de handel van Willem van Loon (VOC). Deze wapens zijn met zorg geschilderd door Pieter Dupont, die in feite geen rijtuigschilder was. 

Pieter Dupont (1870-1911) was een bekend Nederlands graficus en kunstschilder. Hij was tekenaar, schilder, boekbandontwerper, tekenleraar en zelfs hoogleraar. In het begin van zijn carrière was hij vooral bekend om zijn Amsterdamse stadsgezichten (met invloed van Breitner) en in 1896 trok hij naar Parijs om zich te bekwamen in de etskunst. Hij werkte en woonde in verschillende landen, maar rond de tijd dat ons Van Loon rijtuig gebouwd werd,  werkte hij echter in Nederland en werd in 1903 zelfs hoogleraar in de grafische kunst aan de  Rijksacademie voor beeldende Kunsten te Amsterdam. Behalve stadsgezichten, portretten, kerkinterieurs en boslandschappen hield hij zich bezig met het ontwerpen van postzegels, bankbiljetten en firmavignetten. Niet verwonderlijk dus dat hij ook werkte voor de vooraanstaande rijtuigfabrikant Schutter & van Bakel en het wapen van de familie van Loon op het rijtuig schilderde. 

Geel en zwart zijn de kleuren van de familie Van Loon en dat vinden we terug in het wapen, maar ook buitenkant en interieur van dit rijtuig zijn in geel en zwart uitgevoerd. Naast de armlussen, aan de binnenzijde, vinden we nog een luxe detail, dat niet direct opvalt als we voor het rijtuig staan: kleine hoge penantspiegeltjes. 

Het rijtuig werd, zoals gezegd, in 1902 gebouwd om te dienen in de stallen van La Forêt. Rond 1926 werd het overgedaan aan (de bekende) stalhouderij Schoonhoven Buytendijk te Utrecht. De Van Loons waren door de totale devaluatie van hun Russische waardepapieren namelijk genoodzaakt wat bezittingen te verkopen en bovendien was de jonkheer ook met zijn tijd mee gegaan en overgegaan tot aanschaf van gemotoriseerd vervoer. Het gehele rijtuig werd blauw gelakt en voorzien van een Utrechts wapen. In 1954 kocht eerdergenoemde D. Dirkszn ter Maten het rijtuig en liet haar weer in een gele kleur lakken. In 1957 werd het aan het nieuwe museum verkocht. De oorspronkelijke kleuren werden pas later, in 1967-1968 weer aangebracht en wel door de in Groningen en omstreken bekende schilder en caféhouder (in de stad Groningen) Koos Huizenga. Hij was het ook die voorzichtig de oude familiewapens weer vanonder de eerdere laklagen naar voren haalde. Daardoor is het werk van Dupont nog steeds in de originele staat. 

Bij dit rijtuig zijn bewaard gebleven het originele tuig en de originele livreien, beide van hoge kwaliteit. Het tuig werd gerestaureerd.

Auteur: Jan Zijlstra, conservator Museum Nienoord

Gepubliceerd op 25-04-2014